Ivon Drummen – “Ich bin wèr heem.”

We zitten in het atelier van Ivon Drummen aan de Nazarethstraat op Heerlerbaan. Haar buren zijn Marlies en Joop, zus en zwager. Ze vertelt hoe Henni [haar partner –red.] en zij, de bouwval die het was, op de eerste plaats waterdicht maakten en vervolgens verbouwden tot de prachtige werkruimte die het nu is. “Kijk eens om je heen”, zegt ze, “het is toch fantastisch om hier te mogen werken. Dat mooie licht, die ruimte.” We drinken koffie en praten over haar jeugd, haar kunstenaarschap, over heimwee en verbinding.

Ivon Drummen.pngIvon Drummen

Ivons ouderlijk huis stond op de hoek Keerweg en Caumerweg. De hele Heerlerbaan wist waar de familie Drummen woonde. Het was een markant punt in de wijk, vooral door de tuin die vol stond met beelden. Hier woonden ze met hun dertienen. Ivon hoorde bij de kleintjes, ze was het negende kind in de rij. Tussen de oudste en de jongste was achttien jaar leeftijdsverschil.

De oude wijk werd afgebroken. Het gezin verhuisde naar de Horicherhofstraat waar vader een nieuw atelier bouwde. Ivon ging na de middelbare school, naar de kunstacademie in Maastricht en woonde onder andere in Schaesberg en België; ze kwam terug naar de Horicherhofstraat nadat haar vader overleed. Toen ze Henni leerde kennen werd de navelstreng met het heuvelland doorgeknipt en ging ze bij hem en zijn zonen in Niedersachsen, Duitsland, inwonen.

Niemand beter dan Ivon zelf kan verwoorden hoe haar jeugd verliep: “In de groep was ik eerder een stil kind, maar ik had wel een geweldige jeugd. Mijn vader was een opgeleid, maar grotendeels autodidact kunstenaar, die zich uit de mijn wist te werken door onder andere in Heerlen de School voor vrije uren op te richten. Als hij een opdracht had, bijvoorbeeld een kruiswegstatie voor een kerk, dan werd die thuis op de keukentafel gemaakt. Dat was ons speelgoed; we speelden met klei en tekenden. Zo beschilderden we met de olieverf van pap de tegels in de keuken. Dat werd een soort wedstrijd, wie maakt de mooiste tegel. Pas later begreep ik hoe apart dat eigenlijk was. Als kind vond ik dat normaal.
Aanvankelijk wilde ik niet naar de kunstacademie, ik werd daarin gestimuleerd maar ik verzette me daartegen.” Maar hartelijk lachend zegt ze dat niets anders kon en dus toch daar eindigde. Daar bleek ze met de neus in de boter te vallen: “Op de middelbare school was ik een ietwat eenzaam, stil meisje, maar daar op de academie waren uitsluitend leuke mensen, ik vond ze allemaal even prachtig. Ik werd eindelijk begrepen.”
Ik vraag hoe die geestverwantschap met de leerlingen daar er dan uitzag, wat het was dat ze zich daar wel op haar plaats voelde. “Het had natuurlijk niet alleen met de mensen, maar ook met andere dingen te maken. Met de leeftijd en met liefdesverdriet. Geen van de jongens waar ik verliefd op was zag me staan, dergelijke zaken speelden mee. Ik was extreem laat op dat gebied. Toen ik in die adolescente kunstenaarswereld terechtkwam, ben ik helemaal opgebloeid. Ik voelde ook meteen, dit is wat ik kan, misschien was ik wel een van de betere. Mijn hele leven was ik al met kunst en kunst maken omringd. Je krijgt veel positieve feedback en dan word je gelukkiger. Middelbare school was moeilijker. Thuis was het toen ook wel een moeilijke periode. Moeder in de overgang, broers en zussen die wilden uitgaan, gaan vrijen, maar dat lag toch een beetje moeilijk in dat katholieke gezin. Veel heftige discussies destijds.”

Ivon onderbreekt haar verhaal, ze denkt zichtbaar na en verplaatst zich in de toenmalige tijd: “Wat ik als kind veel deed op de Heerlerbaan was wandelen met de hond, door de Bende [gebied tussen Onderste en Bovenste Caumer – red]. Ook veel met mijn vader. Van hem heb ik toen veel geleerd, vooral om goed te kijken. Ik weet nog dat ik dacht, dat als ik sterf ik in de Bende begraven wilde worden, zo veel betekende die voor mij. Zo wandelden we ook in het Imstenraderbos, naar de Zandkoel. Daar had ik topervaringen als klein meisje. Ik zie nog voor me hoe ik daar heuvel op heuvel af ren met de armen gespreid als een boselfje. We wandelden elke zondag, na de mis. Soms vertrokken we naar Epen en wandelden daar. In dat Limburgse landschap ligt volgens mij ook de reden voor die heimwee.”

Het woord ‘heimwee’ is gevallen. Een gesprek met Ivon is niet compleet als er niet gesproken wordt over haar terugkeer naar Heerlerbaan. Negen jaar geleden vertrok Ivon naar de woonplaats van haar vriend Henni, Schüttorf in Noord-Duitsland ter hoogte van Oldenzaal. Pas daar in Niedersachsen zag ze hoeveel ze van Limburg hield. Ondanks de liefde kon ze niet wennen.

“Ik denk ook dat de streek hier van oudsher rijker is, minder armoe. Daarom is er ook meer ruimte voor cultuur. Daar waren het arme turfstekers. Het ging er niet om hoe je het huis zo mooi mogelijk kreeg, maar je was daar al blij als je een dak boven je hoofd had. Je mist ook je familie, en de taal en het landschap, maar het is toch vooral hoe de mensen met elkaar omgaan. Zoals ik in elkaar zit, paste ik daar niet in het landschap. Dat maakte dat ik me niet op mijn gemak voelde. Eenmaal terug hier zat ik bijvoorbeeld buiten voor mijn atelier en ik hoorde mensen met elkaar praten, ik kon niet horen wat ze zeiden, maar de klank alleen ontroerde me zo ..: ich bin wèr heem. Duitsland was voor mij te vormelijk, te gereserveerd, ik kreeg weinig contact. Ook als kunstenaar. Ik ben altijd het Limburgse meisje gebleven. Weer terug op Heerlerbaan verdwenen al mijn klachten als sneeuw voor de zon, de lichamelijke maar ook de psychische.”

In de voor haar vertrouwde omgeving heeft Ivon niet veel tijd nodig om te wennen. Als de Andreaskerk informeert bij Joop en Marlies [Noordkamp, collega-kunstenaars – red.] of zij iets willen doen met mensen uit het azc Imstenrade, biedt Ivon aan om mee te doen. Joop had weinig tijd, Ivon heeft veel ervaring in het werken met groepen en popelt om te beginnen. Een idee om iets te gaan doen met handen en met vrouwen uit het azc viel in de smaak, vooral ook omdat ze daarmee die vrouwen de straat op konden krijgen. De groep kwam op het atelier om een hand te laten afgieten. Dat was op zich al een heel geslaagde bijeenkomst, vertelt Ivon. Ze konden elkaar moeilijk verstaan, maar er werd veel gekletst, gedanst en gelachen. Uiteindelijk waren er vijf handen mooi afgegoten (in beton). Dat groepje is later nog een keer samengekomen bij de Andreaskerk, ter plekke hebben ze gekeken wat ze met die handen zouden kunnen doen. Er werd voor gekozen deze te monteren op de muur bij de kerk.

Ivon vertelt: “Boven de vrouwenhanden is een kinderhandje op de muur gemonteerd, dat wilden die vrouwen er graag bij hebben. Je ziet hoe die vrouwenhanden gezamenlijk dat kinderhandje naar de bovenrand van de muur helpen. Zeg maar de wereld in helpen, een mooi beeld.
Het maken van die handen is heel intiem, je raakt elkaar aan, alsof je bij de kapper zit. Daardoor worden er ook gemakkelijker verhalen verteld. Er zijn ook nog handen afgegoten van vrouwen die elkaar de hand geven, die hangen op het azc. Een geslaagd cross over-project noem ik dat. Alleen die vrouwen die zijn intussen bijna allemaal weer weg daar. Die handjes op die muur is dan eigenlijk bijzaak, het gaat om die verbinding, hoe komen we nader tot elkaar. Het gaat er dus niet alleen om dat die kunst mooi is maar om de interactie en het contact.
Toen mijn zus en ik het monument voor de doodgeboren kinderen [kerkhof Heerlerbaan – red.] maakten, betrokken we de mensen die dat hadden meegemaakt heel nadrukkelijk bij dat proces. Dan heeft kunst meer zin dan alleen iets leuks te maken wat iemand op de schoorsteenmantel zet.”

Op mijn vraag of kunst dan per se maatschappelijk relevant moet zijn om zich echte, of goede kunst te mogen noemen, antwoordt Ivon met haar visie op hoe zij het maken van kunst beleeft.

“Ik gebruik graag het beeld van een wandeling. Ik ben aan het wandelen en wil daarbij zo open minded mogelijk zijn. Ik loop dus zonder doel en kan dan kiezen voor elke zijweg die ik tegenkom. Ik laat me graag verrassen. Ik heb dus niet een bepaald idee waaraan mijn kunstenaarschap moet voldoen. Ik ben nieuwsgierig en sta open voor wat er op mijn pad komt. Allerlei motieven kunnen leiden tot nieuw werk.
Om nou te zeggen dat kunst een boodschap moet uitdragen, nee, daar ben ik niet mee bezig. Mijn belangrijkste motief om kunst te maken is creatiedrang. Maar een belangrijk deel van mijn persoon is het sociale. Vandaar dat in mijn werk de verbinding, het samenkomen of samen maken een belangrijk thema is.”

“Creëren en ontmoeten, daar komt het op neer en dan zonder plan maar met een open geest. Ik vind het een enorm voorrecht dat ik zo mag en kan leven. Het is nu eenmaal niet mijn sterkste punt me aan te passen aan allerlei vormelijkheden die ook nodig zijn in de kunstwereld, zeker als je wilt meetellen. Voor mij is dat een tegennatuurlijke aanpassing. Ik denk daarbij ook aan die vluchtelingen die uit een totaal andere cultuur komen en zich moeten aanpassen in Duitsland of Nederland. Ik heb veel geleerd van die jaren in Duitsland, dat kwam op mijn pad, en ik ben nu een ervaring rijker en misschien zelfs een beetje wijzer.
Ik stort me altijd volledig op een nieuw project. Verdieping kan zo heerlijk oeverloos zijn, dat geldt ook voor het materiaal. Klei is een prachtig oermateriaal, maar het mag ook plastic zijn, ik wil me daarin niet vastleggen of beperken. Pretentieloos fröbelen, spelen als een kind, homo ludens. Neem nou die koppen uit klei. Ze lijken nu af, ze lijken ook op de personen. Maar ja dan kan ik er niet meer mee experimenteren. Dus ik maak dan nog een aantal kopieën en speel er dan mee. Sla er met een hamer op of met een stuk hout. Ik verheug me er nu al op.”

ivon2.png
De koppen van Ivon

“Vroeger was ik ambitieus. Nu minder. Ik heb een leuk atelier, een leuke man, ik ben tevreden. Mijn naam hoeft niet over de hele wereld te klinken. Zolang ik mijn creatiedrang kan bevredigen en af en toe en leuk project samen met mensen kan doen ben ik een gelukkig mens.” [In januari begint ze met lessen op Heerlerbaan – red].

Op mijn opmerking dat kunst toch ook gezien moet worden, dat creatiedrang en verbinding alleen toch niet kunnen volstaan, voor iemand die zo veel zichtbaar werk maakt, antwoordt Ivon: “Henni en ik hebben wel eens discussies over het doel. Je kunt zeggen dat kunstenaars paria’s zijn, maar ook dat ze heel erg nodig zijn. Maar juist die mensen die alleen maar bezig zijn met het verdienen van geld moeten af en toe worden wakker geschud, zo van, hallo kijk eens hoe mooi een bloem is. Wat is wezenlijk in het leven. Geld verdienen, of bezig zijn met schoonheid, of met troost of verbinding. Ik vind geld verdienen schandalig hoog staan op de ladder van wat belangrijk is. Ik zie mezelf dan veel meer aan die Jan Wolkerskant van leren, erotiek en alles wat het leven leefbaar maakt.”

“Ik zie het ook als een van mijn taken de mensen die kant van het leven te laten zien waar het echt om gaat en dat doe ik met mijn werk en met mijn hele persoon. De muze is tegenwoordig erg ondergesneeuwd. In dat grote gezin vroeger waren er veel en vaak geldzorgen, al dat geld ging naar de ontwikkeling van de kinderen, voor de rest speelde dat geen rol. Mijn ouders werden daarin gedreven door hun geloof, dat is bij mij niet zo. Maar die overtuiging …, tsja, misschien zou je het wel een vorm van religie kunnen noemen.”

Tekst en foto’s: Jan Hendriks

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s