Jacques en Miny Defauwes – “Ik maak geen kunst, schoenen maken is al lastig genoeg.”

Miny en Jac Defauwes, succesvol Heerlerbaans ondernemersechtpaar en hartstochtelijke kunstverzamelaars bewonen een pand aan de Ruth Firststraat met op de benedenverdieping een immense kunsthal. Het resultaat van een leven lang verzamelen. Momenteel loopt er een expositie in het Bonnefantenmuseum met een deel van hun verzameld werk. Tijd voor een gesprek, een gesprek waarin de link tussen de schoenmakerij en het verzamelen van kunst een terugkerend thema is.

De ruime kamers in huis getuigen ook van hun passie. De lange hoge wanden bieden plaats aan schilderijen van groot formaat. Als we op de banken rond een salontafel zijn gaan zitten, steekt Jac meteen van wal. Veel aanmoediging heeft hij niet nodig, hij is een gemakkelijk prater. Miny vult de verhalen regelmatig aan en corrigeert waar nodig.

jacques en miny defauwes
Jacques en Miny Defauwes thuis voor een werk van Jaap Mooy

Naar de Heerlerbaan

Jac Defauwes –  geboren in Sibbe – woonde en werkte jarenlang samen met Miny in Ingber. Ze kregen op enig moment een aanbod om een orthopedische schoenenzaak over te nemen in Heerlen. Al een paar maanden later, het was rond carnaval, verhuisden ze met het bedrijf naar Heerlerbaan nr. 95, een oude kapelaanswoning. Ze werkten in de huiskamer met uitzicht op de Heerlerbaan, met een halve man personeel. Ze woonden echter nog in Ingber waar Miny de administratie van het bedrijf verzorgde. Langzaamaan groeide het bedrijf, en verbouwden ze na vier of vijf jaar het pand. “Ik weet nog dat ik dacht, hier kunnen we met zo’n tien man werken en dat is het dan.” Maar ze bleven groeien. Toen al hadden ze overal werken ophangen.

“Ik herinner me dat we in de werkplaats een prent van Karel Appel hadden ophangen.” De interesse voor kunst was er al vroeg bij het jonge paar.

Eerste stappen in de kunstwereld

De belangstelling voor de kunst heeft Jac niet van zijn ouders meegekregen. Vader had een schoenmakerij, moeder een dorpswinkel waar echt alles te koop was. Jac vertelt dat zijn vader van carnaval hield en dat ze samen meewerkten aan de praalwagens voor de optocht. Die gingen mee voor de prijzen, en dan won hij wel eens 50 of 100 gulden.
Hans Coumans, Lei Molin, Hans Bartels waren kunstenaars die in Valkenburg woonden; zij beschilderden die wagens en kregen daar dan een bak bier voor. Daar leerde Jac Lei Molin kennen. Jacs ogen beginnen te stralen: “Lei had een ateliertje gebouwd in Valkenburg in het bos en ik kwam daar regelmatig. Het was 1966, de tijd van provo, lang haar, hot pants, nieuwe muziek. Daar hoorde ook moderne kunst bij. Ik was achttien, zo begon dat.”

“Ik heb eigenlijk mazzel gehad om die mensen tegen te komen. Daarbij kwam dat veel schilders wegtrokken uit Limburg: Ger Lataster, Jef Diederen. Ik was 23, leerde Miny kennen en we gingen met hen mee. We hebben een jaar in Nuenen gewoond en Eindhoven. Toen zijn we teruggekomen naar het zuiden.”

De Heerlerbaanse ondernemer

“Ik ben geen echte Heerlerbaner; ik woon hier met plezier, doe ook van alles om initiatieven te steunen op de Heerlerbaan, maar je kunt me geen verenigingsmens noemen. Ik ben wel eens gevraagd als carnavalsprins, maar heb bedankt. Daarvoor werkten we te hard en in onze spaarzame vrije tijd, wilden we de rest van de wereld zien. We waren met kunst bezig en we reden naar Amsterdam, Brussel of Parijs.”

“Op Heerlerbaan komen veel mensen langs, dat kun je niet vergelijken met dorpen als Bocholtz of Schinveld, daar ging je naar toe en dan moest je weer terug. Nu ligt er natuurlijk die snelweg, maar indertijd was de Heerlerbaan een belangrijke verkeersader. Dat bracht nieuwe mensen hier, mensen die zich verplaatsen, die ruimer in het leven staan. Hier trok alles voorbij dat is toch anders dan in die geïsoleerde buurtschappen en dorpen. En dat al sinds de Romeinen. Dat stimuleert de handelsgeest, dat leidt tot bedrijven, café’s, hotels, noem maar op. Ik denk dat Heerlerbaan nog steeds een bloeiende wijk is, het is een superunieke plek.”

Jac vertelt hoe het verloren gaan van de mijnindustrie doorwerkt tot op de dag van vandaag. Dat mensen weinig geld hebben, geen mogelijkheid om bij te verdienen. “En dan kun je wel willen, maar dan gaat het niet.
Gelukkig word je daar echter niet van, het is een ongezonde situatie. Mensen zeggen: als ik naar een feestje moet, moet ik nieuwe kleren aan. Die heb ik niet dus dan ga ik niet.”

Met de schoenmakerij ging het voorspoedig. Het bedrijf werd al snel te klein, er werd grond gekocht en een groot pand gebouwd. Al na drie jaar bleek het weer te klein en maakten ze het twee keer zo groot. Toen ze 25 mensen in dienst hadden was dat voor Jac het moment om het roer om te gooien. “Het bedrijf groeide zo hard, ik kon dat niet managen. Mijn broer is er toen bijgekomen. Die was goed in automatisering. Al vlug daarna hebben we in De Cramer gebouwd. Samen hebben we er een groot bedrijf van gemaakt.” Vier jaar geleden verkocht Jac het bedrijf. Ze hadden toen 72 mensen in dienst. “Er kwam een Belgisch bedrijf met een aanbod dat we niet konden weigeren.”

De betekenis van kunst

Gevraagd naar de betekenis van kunst voor hemzelf valt Jac even stil, niet omdat hij om een antwoord verlegen zit, maar zoals hij zelf zegt omdat hij nadenkt over welk aspect hij eruit zal lichten. Aan kunst zitten zo veel mooie kanten. Miny helpt hem op weg door te vertellen hoe het aanvankelijk in zijn werk ging.

“We zetten alles aan de kant voor de kunst. We hadden bewust geen auto in het begin, voor dat geld kochten we liever kunst. Soms kwam er ook geen geld aan te pas en ruilden we bijvoorbeeld een schilderij tegen een paar schoenen. Met vakantie gingen we niet, dat geld konden we beter besteden … aan kunst. Het was één groot avontuur.”

“Ja”, bevestigt Jac, “Het was voor mij vooral ook een uitlaatklep naast mijn werk. Je krijgt er zo veel voor terug en het is iets blijvends. En het heeft zijn leuke kantjes. De kunstenaarswereld is natuurlijk een leuke, je ontmoet er interessante mensen. Je rijdt ervoor naar Bergen of IJmuiden, je koopt wat, mensen hebben goede zin, er is altijd wel een feestje, er wordt gegeten, gedronken. En vooral, je leerde ándere mensen kennen… een ándere wereld. Ik zeg wel eens gekscherend: achter Beek verandert de wereld, daar gaat het niet meer bergop.”

jac2.png
Noord West Zuid Oost – Jaap Mooy: de kunstenaar en zijn verzamelaar

In het kopen van kunst werden Miny en Jac meer en meer bedreven nadat ze hadden kennisgemaakt met de kunstenaar Jaap Mooy. Ze hebben lang met hem gecorrespondeerd en hem vaak ontmoet. Hij raadde hen aan te gaan lezen. Niet in het wilde weg, maar de belangrijke werken, hij gaf tips. Daarna gingen ze anders kijken naar kunst en hebben ze zich ontwikkeld tot de verzamelaars die ze nu zijn.
“Op een gegeven ogenblik heb je die expertise. Mensen realiseren zich vaak niet dat ze orthopedische schoenen krijgen, die moeten straks wel twee jaar mee. Dus dan adviseer ik ze om geen witte of lichtgroene te nemen, want die zien er niet meer uit na een paar maanden. Die expertblik ontwikkel je ook voor de kunst.”

“Je draagt dus bij aan hun eigen bewustzijn en je hebt daarin ook een bepaalde verantwoordelijkheid. Zo vind ik ook dat een journalist niet maar klakkeloos moet plaatsen wat een geïnterviewde zegt of heeft gezegd. Die man of vrouw kan wellicht de impact van zo’n uitspraak niet overzien. En daar begint voor mij de verantwoordelijkheid van die journalist.”

“Het is toch beschamend wat we zien in de gemeenteraden in Parkstad, beschamend dat we niet samen kunnen werken. Maak er toch één gemeente van, van alle gemeenten onder Sittard. Misschien dat we dan de thuiszorg wel op rolletjes krijgen, misschien dat het dan wel betaald kan worden. Het is toch niet te geloven wat er nu gebeurt. Dit heeft ook met mijn kunstaankopen te maken, sociale betrokkenheid en politiek engagement spelen daarin een grote rol.”

“Kunst moet in mijn ogen wel ergens over gaan, geëngageerde kunst. Schoonheid alleen mag van mij ook. Als je kijkt naar Jan Schoonhoven bijvoorbeeld en je ziet alleen een wit vlak, dan blijft de buitenwereld buiten en vul je je eigen wereld in. Het is ook je ogen sluiten voor de werkelijkheid, die vaak minder mooi is. Ik wil altijd weten wat daarbuiten gebeurt en wat dat met mij doet, of ik dat kan verdragen. Dat heeft ook met mijn vak te doen. Als jij morgen een herseninfarct krijgt en dan de trap niet meer opkomt, dan kom je misschien bij mij met de vraag hoe ik je die trap weer op kan helpen.”

Privéverzameling en publiek

“Kunst moet gezien worden, als een kunstwerk niet gezien wordt had het niet gemaakt hoeven worden. Miny en ik hebben regelmatig bezoekers die we hier rondleiden. Ik vertel ook graag wat er in mij omgaat als ik naar die kunst kijk. Het was altijd meer dan alleen verzamelen, we trokken die kunstenaars mee. Ze kregen meer bekendheid, ook door bijvoorbeeld de Parkstad Limburgprijs of door de exposities die we regelmatig organiseerden.
De expositie in Maastricht loopt nog [tot 27 mei 2018 –red.] maar is nu al een groot succes. Het was een van de grotere openingen die Bonnefanten ooit zag. We kennen heel veel jonge lokale kunstenaars. Het deed ons veel plezier zo veel jonge mensen tijdens de opening in Maastricht te zien. Op dit moment is er ook werk in Heerlen te zien, in het pand waar het oude Bisscheroux-gebouw [in de volksmond Toetergebouw – red] lag. Onze werken gaan nu naar Bergen. Eerder waren ze al in het Cobra-museum en in het Stedelijk, maar ook in Roermond en Sittard.

We zijn trots op wat we doen, we ondersteunen kunstenaars door van ze te kopen zodat ze verder kunnen, met de Parkstad Limburgprijs en met een prachtige expositie in Bonnefanten. Die trots zie je ook terug in het prachtige boek dat we gemaakt hebben met ons hele verhaal. Alleen jammer dat het boek niet in Heerlen te krijgen is, maar wel in Maastricht en zelfs in de boekhandel in Kerkrade.”

Parkstad Limburgprijs

Gevraagd naar zijn relatie met en zijn betekenis voor lokale kunstenaars vertelt Jac over de ontstaansgeschiedenis van de Parkstad Limburgprijs.

“Ik had de grond gekocht voor ons nieuwe pand hier en kwam zo in contact met Wiel Jongen [VOC Jongen – red]; hij had net een groot project succesvol afgerond: het provinciehuis in Maastricht. Bij die gelegenheid schonk hij het beeld, De Limburger, gemaakt door Frans Duckers aan de  Limburgse bevolking. Aan de verkoop van replica’s van dat beeld is toen 60.000 gulden overgehouden. Dat geld is vervolgens ingezet voor de oprichting van een stichting voor de pr van Limburgse kunst. Ook de Landgraafprijs is in dat jaar gesticht, met als doel sponsors, makers, en de faciliteiten bijeen te brengen [zie kader].

Jacques Defauwes is mede-initiatiefnemer van de vierjaarlijks uitgereikte Parkstad Limburg Prijs. De laatste prijsuitreiking vond plaats in 2017 in Glaspaleis Schunck.
De Parkstad Limburgprijs is een kunstprijs die sinds 1996 wordt uitgereikt (toen nog Landgraafprijs) om een brug slaan tussen jonge kunstenaars, het bedrijfsleven, de overheid en het publiek. Stichting Promotie Limburgse Kunstenaars – de initiator – stelt zich tot doel talentvolle jonge Limburgse kunstenaars te helpen in hun ontwikkeling. De prijs is bedoeld voor beeldend kunstenaars tot 35 jaar die actief zijn of actief geweest zijn in Nederlands of Belgisch Limburg en een kunstopleiding succesvol hebben afgerond. Aan de kunstprijs is een geldbedrag van € 10.000,- verbonden. De winnaar kan dit gebruiken om daarmee zijn of haar talent verder te ontwikkelen.

Toen Parkstad van de grond kwam, was er belangstelling bij de gemeente Heerlen voor een Parkstad Limburgprijs, met subsidie van de provincie en uit Parkstad. De prijs was vanaf het begin en is nog steeds heel succesvol; elke vier jaar wordt het evenement georganiseerd en dat intussen al twintig jaar lang. De stichting mocht zich presenteren in het Heerlense stadhuis in we exposeerden in de stadsgalerij. Hadassah Emmerich won de prijs. Frans Haks heeft toen nog de opening verricht. We hebben voor dat verbindidee ooit nog een heel eervolle vermelding gekregen uit handen van minister Jorritsma.”

De foute tango van Lex Nelissen

Het trefwoord Heerlen is gevallen. Het kost Jac geen enkele moeite om te schakelen naar wat er in zijn ogen aan de hand is. Na een uiteenzetting over de zaken die zijn misgelopen na de mijnsluiting: “Dat academisch ziekenhuis had natuurlijk in Heerlen moeten staan.” geeft hij zijn visie op de huidige stand van zaken.

“In Heerlen wordt nu ingezet op gevarieerd, en daarbij vooral op jong. Maar is dat de goede weg, denk ik dan. Wat heb ik in Heerlen nog te zoeken. De gevestigde generatie zie je weinig meer in Heerlen. Ik vind het wel leuk dat Lex Nelissen af en toe een foute Tango draait, maar het is toch zo dat mensen van onze leeftijd de stad nauwelijks meer ingaan. Wat moeten we met dat gekke gedoe daar, het is jong wat de klok slaat. Overigens hebben Lex Nelissen en Bas Schoonderwoerd dat goed begrepen. Die trekken allerlei publiek met hun gevarieerde programma’s. Voor de stad als geheel hebben we die mensen niet, en ook het budget niet.”

“Misschien hadden we niet zo veel geld moeten stoppen in de verbouwing van de schouwburg, misschien hadden we niet zo veel moeten investeren in het Glaspaleis of het stadskantoor. Wat levert het de stad op, behalve financieel verlies en politieke ruzies. We hadden daar wellicht anders naar moeten kijken. Als we die gebouwen nou eens gesloopt hadden en ook dat hele blok aan de markt van Intertoys tot en met de apotheek. En we hadden daar een nieuw gemeentehuis, een nieuw theater en een nieuw museum gebouwd, midden in het centrum, dan hadden we het centrum in Heerlen terug gehad. Als we nu naar de schouwburg gaan, moeten we over dat lelijke plein. Hadden we dat centrum hersteld, dan zou het Wilhelminaplein helemaal top zijn en hadden we het Glaspaleis helemaal kunnen vergeten.
Ik vind het prachtig het gebouw, maar ik denk ook aan rendement en dan vooral aan rendement voor de stad. Hadden we dat gedaan dan hadden we verbinding gehad. Dan gaan de mensen na een voorstelling in het theater de stad in, naar het café in of het restaurant.”

Een verzamelaar met een hart

We zijn via een lange trap afgedaald naar de benedenverdieping. In een helder verlichte ruimte met de dimensie van een 25-meterzwembad  hangt, staat of ligt overal kunst. Rekken vol met boeken. Grote ladenkasten met tekeningen. Mappen met correspondentie. Het ziet er ordelijk uit, maar overal stuiten we op onderhanden werk. Hier moet nog wat gesorteerd, daar opgeborgen of opgehangen. We lopen erdoorheen. Bij elk kunstwerk hoort een verhaal. De woordenvloed van Jac is nauwelijks te stuiten als hij vol vuur vertelt over wat we zien en wat de kunstenaar zag. Thema’s als Vietnam, jazzdrummers, tot de rode rozen, liefde, haat, geweld komen voorbij. De emotie is niet minder geworden na vijftig jaar.

“Veel kunst is mooi, verleidelijk. Voor mij is het mooie van kunst als het ergens over gaat. In Maastricht hangt een kastje van Jaap Mooy met een roos, hanepoten en riempje erin, dat is van 1964. Als je die roos ziet denk je aan Rote Rosen, Rote Lippen, Roter Wein, en wanneer was dat? Dat was vroeger, dat was Radio Luxemburg en dan zie ik mijn moeder nog met mijn broertje door de kamer dansen.”

Jac vertelt vervolgens over de grote kunst, de Tefaf-kunst, over de wereldberoemde performance van Marina Abramovic. Hoe ze 24 uur in het New Yorkse MoMa zat en je dan twee minuten tegenover haar kon gaan zitten en haar in de ogen kijken. Daar verscheen onder anderen haar ex-man, waarmee ze in een vechtscheiding zat vanwege het geld. Daar kwam zo veel emotie vrij dat ze begon te huilen. Iedereen in de kunstwereld kent die prachtige scène.
“Maar er is ook dat beeld van die jongen, opgepakt als kindsoldaat. Hij had op tienjarige leeftijd zijn vader en moeder moeten doodschieten, met de gedachte dat als ze hem dat laten doen, hij iedereen kan doodschieten. Hij was goed, had het tot commandant geschopt. Die jongen wilde op een gegeven ogenblik terug naar zijn dorp. Maar daar wilden ze hem niet. Hij wilde gewoon naar huis. In het interview zei hij dat nadat hij zijn ouders had vermoord, hij nooit meer had kunnen huilen. Zo’n jongen moet gewoon zijn leven weer terugkrijgen, weer kunnen huilen. Daar gaat onze kunst over. Over zaken die iets betekenen voor ons. Natuurlijk klappen we voor Abramovic, maar in werkelijkheid gaat het over dat drama van die jongen. En hoe je daar zelf in staat.
In mijn vak gaat het daar ook over. Ik maak schoenen om een anonieme cva-patiënt weer alleen naar de wc te laten gaan, maar ook de steunzolen voor een bekende marathonloper. Met die laatste haal ik de krant, maar het gaat om de eerste.”

Tekst en foto’s: Jan Hendriks

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s